Hooghuysorgel

St. Gilliskerk - Brugge


Technische beschrijving van het orgel:



Manuaalomvang: C-f’’’

Tractuur: Mechanische sleepladen

Toonhoogte: 421Hz voor a

Stemming: Evenredig zwevende stemming





Dispositie:


Hoofdwerk                                                                    Positief


Cornet V                                                                    Salicional 8p

Montre 8p                                                                    Bourdon 8p

Bourdon 8p                                                                    Flûte à cheminée 4p

Prestant 4p                                                                    Doublette 2p

Prestant conique 8p

Doublette 2p

Flûte 4p

Nazard 2 2/3p

Tierce 1 3/5p

Larigot 1 1/3p

Trompette 8p bas/sup (deling op c’/cis’)

+ Accouplement



Geleid bezoek:

Indien u dat wenst, kan u het orgel bezichtigen na afspraak met de organist Bart Naessens



Historiek

(door Patrick Roose)


De Brugse orgelmaker Louis Benoît Hooghuys (°1822-†1885)

In 1797 was te Brugge de laatste autochtone orgelbouwer, Dominicus Berger, overleden. Het Westvlaams grondgebied was weliswaar sporadisch betreden door de orgelbouwersfamilie Van Peteghem uit Gent, maar ook zij dienden na de troebelen van de Franse Overheersing hun activiteiten terug te plooien op hun Gentse thuisbasis. Het Brugse was dus bij de heropening der kerken in 1802 een nagenoeg braakliggend werkgebied. Dat had wellicht ook de Middelburgse orgelmaker Gerard Hooghuys (1754-1813) gemerkt, want hij vestigde zich in 1806 in Brugge. Zijn zoon Simon Gerard Hooghuys (1780-1853) zou een definitieve basis leggen voor de Hooghuys-orgelbouw in Vlaanderen die vermaard zou worden zowel op het gebied van de kerkorgel- als op dat van de draaiorgelbouw. Van Simon Gerard is werk bekend tussen 1814 en 1846, doch er zijn voor zover geweten geen instrumenten bewaard.

Het zwaartepunt in de kerkorgelbouw ligt bij zijn zoon Louis Benoît Hooghuys, geboren in Brugge 21 maart 1822 en aldaar overleden 16 april 1885.

Vermelden we nog dat Louis Benoît Hooghuys een tijdlang geassisteerd werd door zijn broer François Bernard Hooghuys (1830-1888), die in 1869 naar Geraardsbergen trok en zich daar tevens toelegde op de draaiorgelbouw.

De beide zonen van Louis Benoît, namelijk Louis Antoine Hooghuys (1854-1897) en Aimé Jean Hooghuys (1858-1904), kunnen hier binnen ons kader volstaan met een gewone vermelding, aangezien zij niet vóór 1870-75 een beduidende rol zullen gespeeld hebben in het vak.

In 1885 lanceert Aimé Hooghuys een bericht waarin hij pretendeert dat hij als enige het atelier van zijn overleden vader verderzet; in dezelfde folder geeft hij een lijst van werken van zijn vader. We vermelden hier enkele van de interessantste realisaties:

-1856, Brugge Sint-Salvatorkathedraal, restauratie;

-1857, Zulzeke, nieuw orgel; gerestaureerd in 2006;

-ca 1858, Brugge, klooster & school Hemelsdale (dit kleine orgel bevindt zich             

          thans - onbespeelbaar - in de kerk van Gent-Muide en is afzonderlijk beschermd    

          als monument);

-1858-60, Kiedrich (Rijnland), restauratie/renovatie;

-1865, Maldegem, nieuw orgel; gerestaureerd in 2005;

-1867, Vivenkapelle, nieuw orgel;

-ca 1868, Oostende, wijk Hazegras; heden totaal omgebouwd, in de Sint-Janskerk;

-1869, Brugge Sint-Jacob; (restauratiedossier opgestart)

-1872-73, Dudzele; compleet bewaard maar in zeer deplorabele toestand; het

          omvangrijkste orgel dat Hooghuys ooit bouwde, met een voor zijn tijd hoogst

          merkwaardige dispositie;

-1879, Brugge Sint-Gillis

-1876, Loppem, kerk; bewaard, licht verbouwd;

-s.d., Loppem, kasteel van Caloen; archaïserend huisorgeltje in buitengewone

          eclectische vormgeving.


Louis Benoît Hooghuys was van circa 1846 als zelfstandig orgelmaker beginnen werken, de eerste tien jaren wellicht met activiteiten van secundair belang (bijvoorbeeld een orgeltje - waarschijnlijk met occasiemateriaal - voor de zusters van de Brugse Sint-Trudoabdij).

Het werk van 1856 in de Brugse kathedraal is het eerste dat hij een vermelding waard acht in zijn werklijst. Het is dan ook een belangrijke stap in de Hooghuys-geschiedenis: hier vinden we voor het eerst de namen verenigd van Hooghuys enerzijds en de Engelse kunstkenner- en maecenas John Sutton.

Het is wellicht hier dat de kiemen gelegd zijn voor een verdere samenwerking in wat we een vurige restauratiekruistocht - weliswaar één van romantische Schwärmerei - zouden durven noemen.

Was het samengaan in de Brugse Sint-Salvator van Sutton en Hooghuys misschien nog een gelukkig toeval, een volgende onderneming, namelijk Kiedrich, was een staaltje van hechte coördinatie. In 1857 was Sutton in Kiedrich neergestreken, waar in de Sankt-Valentinskirche een orgel stond dat doorging als het oudste orgel van Duitsland: het was in 1495 gebouwd. Sutton liet op zijn kosten het zeer vervallen orgel overbrengen (de orgelkast was wel ter plaatse gebleven) naar het atelier van Hooghuys in Brugge en aldaar herstellen. Beiden waren er wellicht van overtuigd dat ze het orgel in zijn oorspronkelijke toestand 'gerestaureerd' hadden.

Suttons weldadige bemoeienissen in het Rijnland brachten nog andere opdrachten mee voor Hooghuys: in Eltville mocht hij in 1867-68 een nieuw orgel leveren; het ontwerp was uiteraard van Sutton en sterk geïnspireerd op het orgel van de burchtkerk op de Valère-heuvel in het Zwitserse Sion. Dit orgel wordt in kringen van orgelhistorici ook nu nog vereerd als enig overgebleven "gotisch" orgel. Sutton was reeds in 1841 in Zwitserland geweest, en had alleszins dit orgel gezien.

Uit dezelfde jaren 1867-68 dateert het orgel van Vivenkapelle: dat de inspiratiebronnen Kiedrich en Sion/Eltville waren hoeft geen betoog.

In 1868 komt Sutton voor een zeer prozaïsche reden in het Rijnlandse dorpje Oberwalluf: hij liet er gewoonlijk zijn paardetuig herstellen, maar trof er tevens een orgel aan dat een opknapbeurt behoefde. Hooghuys werd er op af gestuurd.

Een grondige renovatiebeurt krijgt ook het orgel in Wiesbaden-Frauenstein, in 1870.

De Duitse avonturen worden voor Hooghuys afgesloten met de bouw van een nieuw orgel (in een bestaande orgelkast) in de dom van Freiburg im Breisgau. Sutton had er reeds in 1867 een aanbod tot bekostiging van een orgel gedaan, maar deze werken werden slechts in 1870-74 gerealiseerd. (Het orgel raakte overigens niet helemaal voltooid wegens de dood van Sutton.) Daarmee werd voor Hooghuys tevens een bouwperiode van historiserende neogotiek afgesloten.

Onder zijn orgeloeuvre vindt men enerzijds buffetten in de lijn van de traditionele 18de-eeuwse en vroeg 19de-eeuwse orgelklassiek (bijvoorbeeld in Waasten, in Brugge Sint-Jacob, en ook Dudzele mag hiertoe gerekend worden), en anderzijds de archaïserende ontwerpen van Sutton.

Met het wegvallen van Sutton was Hooghuys blijkbaar zijn mentor kwijt, want uit zijn werken na 1873 spreekt eerder een versoberde academische neogotiek (Brugge Sint-Gillis; Loppem) om uit te monden in het zielloos front van het Kortrijkse Sint-Niklaasinstituut (1884, thans in Rumbeke-Beitem).

L.B. Hooghuys bekleedt een zeer aparte en eigenlijk geïsoleerde plaats in de Vlaamse orgelbouw. Terwijl de romantiek in opmars was met figuren als J. Merklin (afkomstig uit Duitsland) en P. Schyven, alsook Ch. Anneessens, die een zeer Frans-gerichte esthetiek ontplooiden, brodeerde Hooghuys verder op het laat-klassieke patroon dat Vlaamse bouwers als Ch.-L. van Houtte (Waregem) en Pierre (jr) van Peteghem (Gent) toepasten, zonder echter invloeden op technisch vlak van deze bouwers ondergaan te hebben.

Qua materiaalgebruik blijft Hooghuys de ambachtelijke zekerheden getrouw, zoals bijvoorbeeld het gebruik van eikehout. E. Gregoir schrijft in 1865 over een Hooghuys-orgel: "Il est d'une construction solide et tout en bois de chêne (M. Hooghuis n'emploie pas de sapin)." En verder: "L'ensemble de l'instrument est très-harmonieux et peut hardiment supporter la comparaison avec les ouvrages de nos meilleurs facteurs. La qualité du son rappelle plutôt les anciens orgues que les modernes du genre de ceux de M. Cavaillié Coll." Tot toegevingen die later naar ware decadente toestanden zouden leiden, bijvoorbeeld pijpen in zink, liet L.B. Hooghuys zich niet verleiden. Nochtans moet hij ongecomplexeerd open gestaan hebben voor ideeën van buitenuit. Men denke slechts aan de niet voor de hand liggende visies van J. Sutton; en in de zeer bijzondere dispositie van het orgel te Dudzele treft men het register Septiem 1 1/7 v aan: bij ons weten is dit de eerste toepassing in Vlaanderen.

Naar het einde van de 19de eeuw toe was het gewoon dat orgelmakers het pijpwerk voor hun instrumenten geheel of gedeeltelijk bestelden bij gespecialiseerde pijpenmakers; alleen zeer grote bedrijven hielden nog pijpenmakers in dienst. We hebben één aanwijzing, in Brugge Sint-Jacob, dat Hooghuys pijpwerk vreemd zou aangekocht hebben (met name bij het huis De Vos in Brussel), maar daarover is nog te weinig studiewerk verricht om verdere conclusies te trekken.

Orgelkasten werden doorgaans niet door de orgelbouwers gemaakt; soms leidt dat tot onfunctionele frontvormgevingen, maar aan dit euvel ontsnappen de Hooghuys-orgels. In een aantal gevallen heeft Hooghuys oude orgelmeubels respectvol herbruikt, zoals in Lissewege en in Brugge Sint-Anna; over Waasten - waarvan nog oude foto's bestaan - bestaat geen uitsluitsel.

Het orgelmeubel van Vivenkapelle is een geval apart: buiten dat is in Vlaanderen geen ander Hooghuys-orgel bekend dat beschilderd is en van zijluiken voorzien.


Van Hooghen Huyze:

(Gedicht over het orgel van Jos Libbrecht )


Jarenlang - klankjuweel van Hooghuys -

stond jij, monddood en “ont-stemd”,

in Sint-Gilliskerk, Gods oude huis.


Thans zal, hernieuwd en fijn gestemd,

jouw schoonheid zijn woonst versieren,

je klankkleur luisterrijk hem vieren.


 
  LinksLinks.html
  Capriola Di GioiaCapriola_Di_Gioia.html
  InstrumentsInstruments.html
  RecordingsRecordings.html
  ReviewsReviews.html
  ContactContact.html
  PhotosFotos.html
  BiographyCV_Nederlands.html
  HomeHome.html
  AudioAudio.html
  AgendaAgenda_-_upcoming.html